(Dit is een bewerking van een artikel dat oorspronkelijk werd gepubliceerd in
de wintereditie van de Pasarkrant, november 1995.)

   
De geboorte
van de krontjong

In 1993, bij de komst van het orkest Keroncong Cafrinho-Tugu uit Jakarta naar de Pasar Malam Besar, belichtte de Pasarkrant twee hoofdstukken uit de geschiedenis van de krontjongmuziek die weinig bekend zijn. Tanneke de Groot bezocht de bakermat van het genre, kampong Tugu: nu een wijk van Djakarta, ooit het dorpje Toegoe, even buiten Batavia. Jessica Teunissen verdiepte zich in de Portugese wortels. In onderstaand artikel schetst Melanie Tangkau kort de ontstaansgeschiedenis van de krontjong.

De gitaar werd in de Oost geïntroduceerd door Portugese zeelui, die aan het einde van de 15e eeuw de zeeroute naar Azië vonden. Een van de Portugese gitaren is de cavaquinho (lett. ‘stukje hout’), een van het vasteland van Portugal afkomstige kleine gitaar. In Kaapverdië wordt hij nog veel bespeeld, met name in de mornas, een melancholieke en toch ritmische muziekstijl, die de laatste jaren in Europa heel populair is geworden door de beroemdste vertolkster van het genre, Cesaria Évora. Dit jaar konden wij deze prachtige, aan krontjong verwante muziek op het Tong-Tong Podium horen door het ensemble van de in Rotterdam woonachtige Kaapverdiaan Américo Brito, een minstens zo goede zanger als Cesaria.
        Het broertje van de cavaquinho, de van het eiland Madeira afkomstige braguinha, kwam terecht op Hawaii, waar hij tenslotte de ’ukulele werd. Een ander van Madeira afkomstig instrument, de rajão, had vijf snaren. Mogelijk was dit de grootvader van de bij de Indo-Europese mestiezen van Batavia bekende krontjonggitaar, die zoals bekend vijf snaren telde.

Toegoe
Vanuit hun uitvalsbasis Malakka onderhielden de Portugezen handelsrelaties met India, China en enkele eilanden van de Indonesische archipel. Rond verschillende Aziatische havensteden ontstonden kleine Portugese nederzettingen. Na de val van Malakka en de overwinning door de Hollanders, werden de Portugezen — voornamelijk mestiços (Portugees-Aziatische christenen), lokale bekeerden en mardijkers (vrijgelaten Afrikaanse, Indiase of andere Aziatische slaven van de Portugezen, die zich tot het Christendom bekeerd hadden) — overgebracht naar het nieuw-gestichte handelscentrum van de VOC, Batavia.
        In 1611 stelde de VOC, die inmiddels de koloniale macht had veroverd, een stuk land ter beschikking aan een groep mardijkers, als dank voor verleende diensten. Dit stuk land, Toegoe, lag ongeveer 12 kilometer ten noordoosten van Batavia. Toegoe ontwikkelde zich tot bolwerk van Portugese mestiezencultuur waar een patois werd gesproken van Portugees, Indiaas en in toenemende mate Maleise uitdrukkingen.
        De inwoners van Toegoe zongen waarschijnlijk aangepaste versies van populaire 16e-eeuwse Portugese straat- en volksliedjes en namen de Portugese manier van gitaarspelen over. Twee van de oudste portugis-liederen zijn ‘Nina Bobo’ en ‘Cafrinyo’. Het eerste lied schijnt oorspronkelijk een gedeeltelijk Chinese tekst te hebben gehad, het tweede lied is gebaseerd op een Afrikaanse slavendans.
        In de tweede helft van de negentiende eeuw werden deze portugis-liedjes nog steeds gezongen in Toegoe. Ook wordt er melding gemaakt van de vijfsnarige krontjonggitaar als begeleidingsinstrument. Ondanks de tamelijk geïsoleerde positie van Toegoe gedurende de 18e en 19e eeuw, was er in deze periode sprake van contact tussen Toegoe en andere kampongs rond Batavia, met name Depok, ook een kampong van vrijgelaten christelijke slaven. De liederen uit Toegoe met specifieke krontjong-begeleiding werden opgenomen in het repertoire van andere gemeenschappen in dat deel van het eiland: Maleise, Euraziatische en Chinese kampongs.
        De structuur van de Portugese teksten (zgn. kwatrijnen) had een toepasselijke overeenkomst met de vierregelige Maleise pantoens. Deze vervingen gaandeweg de portugis-teksten. De Nederlanders gebruikten simpele Nederlandse teksten, de Euraziaten gebruikten Nederlandse of Maleise teksten, of — vaak — allebei door elkaar, een duidelijke weerspiegeling van hun gemengde afkomst.
        Handelaren en zeelui van de havenstad Tandjong Priok (2 kilometer van Toegoe) waren waarschijnlijk verantwoordelijk voor de verdere verspreiding van krontjong naar andere noordelijke havensteden van Java, zoals Semarang en Soerabaja.

Boeaja’s en djago’s
In Batavia zelf waren krontjongliederen en -begeleiding populair bij soldaten (van verschillende afkomst) in de legerkampen in en rond de stad. Hoewel het krontjong-repertoire bestond uit liefdesliedjes, slaapliedjes, dansen en liederen over de natuur en andere onderwerpen, richtten de soldaten zich het meest op liefdesliedjes met geïmproviseerde teksten, bedoeld om prostituees en onschuldige meisjes te verleiden.
        Buiten de barakken werden de liederen verspreid door rondtrekkende ‘minstrelen’ die van kampong naar kampong trokken. Zij hadden vaak een bedenkelijke reputatie en werden (al dan niet terecht) gezien als een bedreiging van de goede zeden. Deze muzikanten stonden bekend als boeaja krontjong of djago. Boeaja en djago (lett. krokodil en haan) zijn beiden aanduidingen voor ‘machomannen’, vechtjassen. De meeste boeaja krontjongs waren van Indische afkomst. Sommige anderen hadden een Indiase, Chinese of Maleise achtergrond. In het begin van deze eeuw waren er groepen van boeaja’s (wat nu gangs wordt genoemd, maar dan dus met krontjonggitaren in plaats van ghetto-blasters en pistolen) in bijna elke kampong van Batavia, waarvan de meest beruchte opereerde in de Chinese wijk Glodok.
        Krontjongmuziek had door de associatie met de boeaja’s vaak een slechte reputatie. Ondanks deze slechte naam trok de muziek aan het eind van de negentiende eeuw een steeds groter publiek. De ferventste aanhangers waren te vinden onder de lagere en lage-middenklasse van de kampongs. Vooral de wijk Kemajoran in Batavia was bekend om haar hoge gehalte van krontjong-vertolkers en -liederen.
        De populariteit van krontjongmuziek groeide vanaf het begin van deze eeuw onder een veel breder publiek, vooral onder de Indonesische bevolking. Bij Indische mensen kwam de krontjong onder hetzelfde vuur te liggen als andere typisch Indische uitingen zoals de sarong kebaja of het petjoh: alles wat Indisch of anderszins inheems (in de meest letterlijke betekenis van het woord) was, kreeg een ‘slechte naam’. Het Indische leven moest zo Europees mogelijk worden, en de grote instroom van Hollandse uitgezonden krachten (vooral de komst van Hollandse vrouwen) zorgde daarvoor. Nu begon de koloniale tijd pas goed: ‘nette’ Indische jongens en meisjes behoorden niet meer naar krontjong te luisteren; Europese klassieke muziek werd je-van-het. Wie iets moderners wilde, had de westerse jazz of, iets minder westers, de hawaiian als alternatief. Toen toonde de krontjong zijn veerkracht door weer nieuwe stromingen in zich op te nemen, met wisselend resultaat. Zo zijn er nummers bekend als ‘Krontjong Foxtrot’ en ‘Krontjong Cha-cha’. De voor ons meest bekende stroming die toen ontstond was de krontjong-hawaiian, vooral van de onsterfelijke Indische gitarist George de Fretes.
        Alleen de meest Indose laag van de Indo-Europese samenleving bleef de krontjong trouw, wat voor ‘nette’ mensen het vooroordeel over krontjong bevestigde. In Nederland, na de repatriëring, ontdeed de krontjong zich onder Indische mensen langzamerhand van zijn ‘pauper’-stigma. In de ogen van de Hollanders werd krontjong de soundtrack van de Indische heimwee naar Indië. Voor Indische mensen zelf was het meer: de vertolking van de Indische ziel, tijdloos, een thuis biedend aan een volk in diaspora.

MELANIE TANGKAU

    Bronnen o.a.:

  • B. Kornhauser, ‘In Defence of Kroncong’, 1975, in M. Kartomi (red.), Studies in Indonesian Music, Victoria (Australië), Monash Centre for Southeast Asian Studies;
  • Rosalie Grooss, De krontjongguitaar, Den Haag, Moesson, 1972;
  • Tanneke de Groot, ‘Naar de bakermat van de krontjong’, in de Pasarkrant, lente 1994;
  • Jessica Teunissen, ‘De Portugese wortels van de krontjong’, in de Pasarkrant, zomer 1994;
  • Ad Linkels, ‘'Ukulele, een Portugees cadeau aan Polynesië’, in Volksdans nr. 96/1.


Naar deel 2 van de krontjonggeschiedenis....
      

   
[ Index Stichting Tong Tong ] [ Archief Pasarkrant ]