vak
economie
docent
Dhr prof. dr Thomas Lindblad
les
Het economische leven in Nederlands-Indië

Het Nederlandse koloniaal kapitalisme vierde hoogtij in de Indonesische archipel vanaf omstreeks 1870 tot de Japanse inval in 1942. Dit hoogtepunt werd voorafgegaan door exploitatie van de natuurlijke rijkdommen in Nederlands-Indië door eerst de VOC (1602-1799), daarna de koloniale staat, in het bijzonder door middel van het Cultuurstelsel op Java (1830-1870). Het hoogtepunt kende een uitloop na de Indonesische onafhankelijkheid tot aan de overname en nationalisatie van de Nederlandse bedrijven in de late jaren vijftig.

Een plurale economie
In 1930 woonden er in Nederlands-Indië 61 miljoen mensen: 40 miljoen op Java en 21 miljoen daarbuiten. Indonesiërs maakten 97% uit van het totaal. Daarnaast waren er 1,3 miljoen ‘Chinezen en andere Vreemde Oosterlingen’, terwijl de Europese, voornamelijk Nederlandse bevolkingsgroep uit 240.000 personen bestond.
    Het onderscheid tussen de bevolkingsgroepen op grond van etnische herkomst was vastgelegd in het Regeeringsreglement (1854) en werkte ook door in het economische en sociale leven. Zo werd de internationale handel gedomineerd door Europeanen terwijl Chinezen en Indonesiërs de regionale respectievelijk lokale handel beheersten.
    Er waren ook grote inkomensverschillen. In de jaren twintig en dertig verdiende een Europeaan gemiddeld evenveel als acht Chinezen of 45 Indonesiërs.

Economische structuur
De samenstelling naar beroep van de bevolkingsgroepen verschilde nogal. Ruim 60% van alle Indonesiërs werkten in de landbouw, met name de rijstbouw, terwijl meer dan een derde van alle Chinezen een betrekking had in de handel. De Europeanen waren vooral werkzaam bij de koloniale overheid en de grote Westerse bedrijven.
    Onder de sectoren van de economie domineerden de landbouw en de handel, terwijl er van industrie nauwelijks sprake was. Bij de landbouw onderscheiden we de voedsellandbouw (vooral rijst) en exportlandbouw: suiker op Java, tabak, rubber en palmolie uit Sumatra, rubber ook uit Borneo (nu Kalimantan), copra uit Celebes (nu Sulawesi). Daarnaast was er een belangrijke mijnbouwsector: tin uit Banka en Billiton (nu Belitung) en aardolie uit Sumatra en Kalimantan.

Periodisering
Na afloop van het Cultuurstelsel werd de kolonie in 1870 opengesteld voor investeringen van particulier kapitaal uit het moederland. Tegelijkertijd ging de koloniale overheid een beleid ten gunste van vrijhandel voeren. De investeringen kwamen op gang tussen 1870 en 1914. Van 1905 tot 1930 nam de uitvoer een grote vlucht; de voornaamste exportproducten waren suiker, rubber en olie. Er werd veel méér geëxporteerd dan geïmporteerd. Behoorlijke winsten vloeiden naar Nederland. Volgens berekeningen door Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen was 14% van het Nederlandse nationaal inkomen in 1938 toe te schrijven aan het koloniale bezit
    In de jaren dertig sloeg de wereldwijde economische depressie toe. Uitvoer, invoer en winsten liepen allemaal terug. In 1933 verliet de koloniale overheid het liberale handelsbeleid en ging over op bescherming van de Indische markt. Net voor de Japanse inval werden plannen gemaakt om een industrialisatie op gang te brengen. Ook na de Indonesische onafhankelijkheid bleven Nederlandse bedrijven dominant in de ‘moderne’ sectoren van de economie - mijnbouw, exportlandbouw, internationale handel – tot het doek voor hen viel in 1957-1959.